RECHTERS ZIJN TE TRAAG MET INSTUREN DOSSIERS: SLACHTOFFERS DE DUPE, VERDACHTEN LAGERE STRAF


LANGZS vraagt Ministers van Justitie en Veiligheid  en Rechtsbescherming  rechters te faciliteren zodat zij kunnen voldoen aan hun wettelijke plicht dossiers voortvarend door te zenden naar beroepsinstanties.

Slachtoffers hebben recht op een tijdige afhandeling en zouden niet onnodig lang moeten hoeven wachten. Dit is vervelend voor het slachtoffer in het kader van de verwerking alsmede het kunnen afsluiten van een strafzaak en het daarbij behorende trauma. Daarnaast zorgt de trage afhandeling ervoor dat slachtoffers onnodig lang moeten wachten op schadevergoeding.

Wanneer het doorzenden van het dossier niet tijdig gebeurt, zorgt dit voor een langere behandelduur van de strafzaak, waardoor de rechter vaak korting op de straf moet geven waardoor de veroordeelde in feite een kortere straf uitzit, dan hij verdient. De veroordeelde krijgt op deze manier compensatie, maar het slachtoffer wordt niet gecompenseerd voor de vertraging en de lagere straf.

Slachtofferadvocaten hebben geconstateerd dat opgevraagde dossiers regelmatig met veel vertraging worden doorgezonden naar de hogere rechter. Op grond van de wet heeft het voorliggende gerecht de plicht het dossier ten spoedigste door te zenden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het dossier in beginsel binnen 6 maanden doorgezonden dient te worden in geval van een gedetineerde of een jeugdige verdachte.

Stichting LANGZS merkt op dat dit een structureel probleem is en vraagt daarom aandacht van de ministers. In de bijlagen treft u verschillende casu aan, waarvan LANGZS er drie heeft uitgelicht: de Leeuwarderzaak, de asielverkrachter en de belagingszaak.

Onlangs heeft het Openbaar Ministerie nog een lagere straf geëist tegen Roeslan F. vanwege de trage rechtsgang. In de zaak die in de media bekend staat als de asielverkrachter is het strafdossier nog steeds niet verstrekt. Terwijl deze verdachte notabene al een korting op zijn straf kreeg vanwege de lange behandelduur in eerste aanleg en omdat hij bij een hogere straf mogelijkerwijs uitgezet dreigde te worden.

Bij een andere zaak, waarbij drie slachtoffers seksueel misbruikt zijn zal de Hoge Raad hoogstwaarschijnlijk de verdachte compenseren door een strafkorting te geven, omdat het dossier niet tijdig is doorgezonden. Het te laat doorzenden van het strafdossier kan, en moet, voorkomen worden door de rechter en door de ministers.

LANGZS roept de ministers dan ook dringend op om op korte termijn met een duidelijk voorstel op dat punt te komen, temeer nu slachtoffers al ongewild in een kwetsbare positie zijn geplaatst. (Klik hier voor de brief naar de ministers)

 

 

Leeuwarderzaak

Casus
Drie slachtoffers zijn in hun jonge jeugd slachtoffer geworden van seksueel misbruik. Op 13 juni 2016 werd verdachte door de Rechtbank vrijgesproken. Op 9 april 2018 veroordeelde het Gerechtshof  verdachte tot 9 maanden gevangenisstraf.  Vervolgens heeft verdachte cassatie ingesteld tegen deze uitspraak.

Uitspraak

Het Gerechtshof heeft verdachte veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf en schadevergoedingen toegekend van € 800,00 en € 1.250,00.

Klachtbrief

Op 26 april ll. is er een klachtbrief verstuurd naar het Gerechtshof Leeuwarden. Uit telefonisch contact met de griffie van de Hoge Raad is gebleken dat de zaak op 26 april ll. nog niet was ingezonden, waardoor de zaak niet kon worden behandeld.
Na meer dan één jaar is het dossier nog steeds niet door het Gerechtshof doorgezonden aan de Hoge Raad. Ook in deze klacht is erop gewezen dat door het niet tijdig inzenden van het dossier er een zogenaamde strafkorting kan plaatsvinden.

 

Asielverkrachter 

Casus
In mei 2016 heeft de verdachte in deze zaak het slachtoffer verkracht in het magazijn van de winkel waar hij werkzaam was. De Rechtbank heeft het feit bewezen verklaard.
Als strafverzwarende omstandigheden wegen in deze zaak mee dat het slachtoffer zeer jong is, er sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen haar en verdachte en het bovendien een bijzonder kwetsbaar en weinig weerbaar slachtoffer betreft.

De verdediging van de verdachte heeft ter zitting aangedragen dat de verdachte, bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tenminste 24 maanden of meer, het risico zou lopen zijn verblijfsvergunning te verliezen.
De Rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een straf van 20 maanden en verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.

Uitspraak

De Rechtbank heeft besloten om een gevangenisstraf van 20 maanden op te leggen. De redenering van de Rechtbank was: ‘dat het niet de bedoeling is dat aan verdachte een zodanige straf wordt opgelegd dat deze verregaande vreemdelingenrechtelijke consequenties heeft’. Daarnaast heeft de Rechtbank een schadevergoeding toegekend van € 5.107,68.

Klachtbrief

Op 16 mei ll. is er door het slachtoffer geklaagd bij de Rechtbank Amsterdam. Op 18 juli 2018 is er een strafvonnis gewezen in deze zaak waarbij de Rechtbank rekening heeft gehouden met het tijdsverloop en heeft een strafkorting toegepast.
Op 30 april is er contact geweest met een medewerker van de strafgriffie van het Hof. Het Hof heeft laten weten dat zij nog geen dossier hebben ontvangen van de Rechtbank. Inmiddels zijn er maar liefst 10 maanden verstreken, terwijl dit dossier binnen maximaal 8 maanden had moeten worden doorgezonden.
In de regel zal overschrijding van deze inzendtermijn leiden tot een nadere strafkorting. Dit doet geen recht aan hetgeen het slachtoffer is overkomen.

 

 

 

Belagingszaak

Casus
Een man en vrouw, alsmede hun onderneming, zijn slachtoffer geworden van belaging.
De zaak liep al zeer lang: in 2009 deden benadeelden al hun eerste aangifte. Verdachte heeft jarenlang benadeelden en hun onderneming belaagd. Na de uitspraak van het Hof werd er door verdachte cassatie ingesteld.

Uitspraak
Het Gerechtshof Den Bosch wees op 11 oktober 2016 arrest en heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf 18 maanden. Daarnaast is er een schadevergoeding van € 1.075,00 per persoon toegekend.

Klacht

Door de benadeelde partij is zelf actief aan het Gerechtshof verzocht om het dossier tijdig bij de Hoge Raad in te dienen. Dit vanwege de mogelijke consequenties van strafkorting voor verdachte. Er is zowel door benadeelden zelf als via hun advocaat verzocht om tijdige inzending. Dit is het Hof niet gelukt. Het Gerechtshof Den Bosch liet bij brief van 29 juni 2017 weten dat sprake was van een (slinkende) achterstand en dat die week het dossier zou worden verzonden. Dit was echter te laat, ondanks alle tijdige verzoeken vanuit de benadeelden. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt die vertraging inderdaad consequenties heeft gehad voor de strafmaat. Er is geklaagd over de overschrijding van die termijn, hetgeen geleid heeft tot gegrondverklaring van het middel: verdachte kreeg strafkorting en slachtoffers krijgen de schadevergoeding daardoor ook pas later.

 

Bij deze een kort overzicht van een aantal zaken, waarbij de behandeling in hoger beroep lang op zich heeft laten wachten of laat wachten. De slachtoffers in deze zaken hebben aangegeven dat zij juist door de wachttijd zich niet serieus genomen voelen, zij hun behandeling niet kunnen voorzetten omdat de zaak nog niet afgesloten is en zij het als zeer belastend (hebben) ervaren. De advocaat heeft vaak meerdere malen verzocht om informatie over de voortgang en klachten ingediend, maar daarop wordt niet gereageerd.

Casus I
Parketnummer 10/660012-17: vonnis d.d. 30 mei 2018 in eerste aanleg. De verdachte is moord/doodslag, poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd. De zaak staat gepland in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag (22/002321-18). Voor zover bekend is er nog geen dossier ingezonden.

Casus II
Parketnummer 10/700460-16:Vonnis d.d. 23 februari 2018 in eerste aanleg. Het betreft een ernstige zedenzaak, martelingen en bedreigingen. Er is hoger beroep ingesteld in deze zaak (22/001068-18). Op dit moment is er nog geen datum bekend voor de inhoudelijke behandeling. Het Hof stelt dat zij het dossier nog niet heeft ontvangen.

Casus III
Parketnummer 09/135010-15: de verdachte is bedreiging/laster ten laste gelegd. Er is hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag (22/004233-17) De zitting van 13 februari 2019 is aangehouden tot 7 juni 2019. In deze zaak is men vergeten de slachtofferadvocaat op te roepen voor de zittingen en bleek er uitspraak te zijn gedaan zonder dat het slachtoffer en de advocaat van de inhoudelijke behandeling op de hoogte waren. De slachtofferadvocaat is uiteindelijk op de hoogte gekomen door de oproep tot getuigenverhoor. Ondanks verzoek geen vonnis ontvangen. De advocaat heeft meerdere klachten ingediend, maar geen enkele reactie ontvangen.

Casus IV
Parketnummer 10/035483-196: vonnis d.d. 27 september 2016 in eerste aanleg. Op 11 december 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag arrest  gewezen(22/004514-16). De zaak gaat over openlijke geweldpleging met ernstig letsel. Ook hier heeft de advocaat meerdere malen geklaagd bij het Arrondissementsparket Rotterdam in eerste aanleg en later bij het gerechtshof over de voortgang van de zaak.

Casus VHet betreft een slachtoffer van mensenhandel. Het parketnummer in eerste aanleg van deze zaak is  09/842256-17 en in hoger beroep is het parketnummer 22/001165-18.

Uitspraak
Op 7 maart 2018 is er uitspraak gedaan door rechtbank Den Haag.

 

Klacht
Weliswaar is het doorzenden redelijk spoedig gebeurd, en heeft er op 24 augustus 2018 een pro forma zitting in hoger beroep plaatsgevonden, maar in maart 2019 hadden de getuigenverhoren nog niet plaatsgevonden en de inhoudelijke zitting is nu voorlopig gepland voor 6 september 2019.  Verdachte verblijft overigens nog wel in voorlopige hechtenis.

Casus VI
Het betreft slachtoffer geworden van mensenhandel. Deze zaak staat geregistreerd op parketnummer 23/004755-15. Verdachte is nu in cassatie gegaan.

Uitspraak
Rechtbank Noord-Holland heeft uitspraak gedaan op 12 november 2015 en op 12 april 2019 heeft het Gerechtshof hierin uitspraak gedaan. In het vonnis heeft het Hof de vrijheidsbenemende straf met twee maanden verminderd i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn.

Klacht
Niet eerder dan op 9 november 2016 heeft de pro forma zitting plaatsgevonden. Het verhoor van getuigen kwam niet van de grond doordat het van de kant van de advocaat lastig was om de juiste adresgegevens te verkrijgen en vervolgens op de pro forma zitting van 5 april 2018 werd vastgesteld dat niet op de juiste wijze was opgeroepen. Uiteindelijk is wel op de juiste wijze opgeroepen, maar niemand verschenen, is een getuige gehoord nu deze toevallig in Nederland in detentie zat, en duurde het nog een aantal maanden voordat de zitting uiteindelijk april 2019 op zitting kwam.

Casus VII
Nog een mensenhandel-zaak waar niet alleen verdachte maar ook de Officier van Justitie hoger beroep heeft aangetekend. Het betreft een zaak die nu in hoger beroep ligt bij Hof Den Haag onder parketnummer 22/003095-18. In juli 2018 is er hoger beroep aangetekend.

Klacht
2 mei 2019 is het bericht binnen gekomen dat het dossier nu wel binnen is bij het Hof, maar niet administratief gecompleteerd. Deze zaak kan dus ook niet tijdig worden behandeld.

Casus VIII
Op 9 april 2019 heeft kennelijk de Hoge Raad de zaak binnengekregen (aldus telefonisch vernomen) en de verdachte is nog steeds niet aangezegd. Het betreffen feiten uit 2010 en 2011. Het slachtoffer vindt het niet te verteren dat het zo lang duurt. Het hele traject duurde al lang. Op 18 maart 2011 heeft het slachtoffer aangifte gedaan. In 2015 is er besloten tot vervolging over te gaan. Vonnis rechtbank is van 27 mei 2016.

Casus IX
Het betreft de strafzaak met parketnummer: 01/845113-17 (eerste aanleg) en 20/003179-17 (hoger beroep): Door de Officier van Justitie werd hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch d.d. 28 september 2017. Pas eind maart 2019 is er bericht ontvangen, na eerst zelf contact opgenomen te hebben, dat de advocaat-generaal voornemens was het hoger beroep in te trekken. Deze intrekking geschiedde pas op 15 mei 2019. Bij elkaar hebben cliënten dus ruim anderhalf jaar (19 maanden) moeten wachten. De verklaring die de advocaat-generaal gaf voor de vertraging was dat het dossier nog niet af was, dat het ging om een gecompliceerde zaak, dat er een hoge werkdruk was en dat hij geen overhaaste beslissing wilde nemen.

Brief

Betreft: rechters onvoldoende gefaciliteerd om dossiers tijdig in te sturen

Excellenties,

Bijgaand u gelieve aan te treffen een persbericht met een aantal casu* waarin dossiers niet tijdig zijn doorgezonden. Op grond van de wet heeft het voorliggende gerecht de plicht het dossier ten spoedigste door te zenden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het dossier in beginsel binnen 6 maanden wordt doorgezonden wanneer er sprake is van een gedetineerde of een jeugdige verdachte en anders binnen acht maanden doorgezonden dient te worden. Het dossier moet zelfs. In de praktijk duurt dit echter heel vaak langer.

Dit kan tot problemen leiden voor o.a. het slachtoffer in het kader van de verwerking alsmede het kunnen afsluiten van een strafzaak. Slachtoffers moeten onnodig lang wachten op schadevergoeding en in veel gevallen leidt het tot een strafkorting voor de dader. Dat is niet in het belang van het slachtoffer en kan leiden tot secundaire victimisatie.

Ik verzoek u vriendelijk datgene te doen wat mogelijk is om dit tij te keren. Wilt u ons informeren welke maatregelen u treft om deze vorm van secundaire victimisatie uit te bannen?

Met de meeste hoogachting,
Namens het bestuur van LANGZS,

Richard Korver
Voorzitter

Deel dit bericht:Share on LinkedIn
Linkedin
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Print this page
Print