Jurisprudentie

ECLI:NL:RBGEL:2015:4142, Rechtbank Gelderland, 05/860025-15

Datum uitspraak: 24-06-2015
Datum publicatie: 24-06-2015
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg, meervoudig

Inhoudsindicatie: De rechtbank Gelderland heeft zich, in een zaak betreffende diefstal met geweld, uitgelaten over een te laat ingediend verzoek van het slachtoffer tot voeging als benadeelde partij in het strafproces.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting ontving de rechtbank een brief van de advocaat van het slachtoffer, waarin gesteld werd dat het slachtoffer zich als benadeelde partij in het strafgeding had willen voegen. Het slachtoffer was echter door Slachtofferhulp niet op de hoogte gesteld van de datum van de terechtzitting. De rechtbank heropende hierop het onderzoek, teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen alsnog een vordering tot schadevergoeding in te dienen. In het vonnis onderbouwt de rechtbank deze beslissing als volgt:

“Hoewel de vordering niet tijdig, dat wil zeggen overeenkomstig artikel 51g Sv vóór de terechtzitting dan wel ter terechtzitting vóór het requisitoir van de officier van justitie is ingediend, zal de rechtbank de vordering toch in behandeling nemen. De strekking van dit voorschrift is te verzekeren dat de verdediging zich kan verweren tegen de vordering en niet wordt overvallen door indiening op het laatste moment. Aan die strekking is voldaan nu de vordering na de eerste zitting en voorafgaande aan de tweede zitting aan de raadsman is toegezonden en de verdediging daarmee de gelegenheid is geboden zich te verweren tegen de vordering. Niet-ontvankelijkverklaring van de vordering als gevolg van het (door de overheid in de hand gewerkte) verzuim deze tijdig in te dienen, zou ertoe leiden dat de benadeelde partij zich tot de civiele rechter moet wenden en verstoken blijft van belangrijke voordelen van de behandeling van de vordering in het strafgeding. Zij zou zelf moeten procederen en het toegewezen bedrag zelf moeten incasseren, terwijl, indien de strafrechter de vordering toewijst en de schadevergoedingsmaatregel oplegt, de overheid dit ter hand neemt en bij gebleken betalingsonmacht een voorschot kan toekennen.”

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Bekijk hier het gehele document

ECLI:NL:GHARL:2014:7727, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 200.150.533, C/16/365843

Datum uitspraak: 7-10-2014
Datum publicatie: 13-10-2014
Rechtsgebied:Civiel
Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie: Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 7 oktober 2014 in een civiele procedure arrest gewezen in een zedenzaak waarbij een minderjarige seksueel is misbruikt. Slachtoffer en dader woonden in dezelfde straat.

Het hof legt een contact- en tevens een vestigings- en verblijfsverbod op. Dit ondanks het feit dat de strafrechter in de strafzaak aan de voorwaardelijke straf van de dader als bijzondere voorwaarde ook al een contact- en gebiedsverbod gekoppeld had.

Het hof overweegt dat het feit dat de strafrechter als bijzondere voorwaarde al een contact- en gebiedsverbod heeft opgelegd niet betekent dat de civiele rechter niet tevens soortgelijke verboden kan opleggen.

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Bekijk hier het gehele document.

 

ECLI:NL:RBMNE:2014:4604, Rechtbank Midden-Nederland, C/16/374490 / KG ZA 14-559

Datum uitspraak: 1-10-2014
Datum publicatie: 1-10-2014
Rechtsgebied: Civiel
Soort procedure: Kort geding

Inhoudsindicatie: De katholieke kerk moet het indienen van klachten over seksueel misbruik langer mogelijk maken. Het meldpunt Misbruik RKK dient tot 1 mei 2015 open te zijn. Dat heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland vandaag beslist.

De bisschoppenconferentie c.s. besloot eerder het meldpunt per 1 juli 2014 te sluiten voor verjaarde zaken en zaken tegen overleden personen. Vijf vrouwen en het Vrouwenplatform Kerkelijk Kindermisbruik vragen in een kort geding het indienen van klachten in dit soort zaken langer mogelijk te maken.

De voorzieningenrechter overweegt dat het stellen van een einddatum op zichzelf gerechtvaardigd is. De katholieke kerk heeft wel de plicht om bij het vaststellen van die datum de belangen van alle betrokkenen en alle omstandigheden te betrekken.

Die belangenafweging heeft onvoldoende plaatsgevonden, oordeelt de voorzieningenrechter. Het is aannemelijk dat er ook nu nog gedupeerden zijn die een klacht willen indienen. Door het lang toedekken en ontkennen van seksueel misbruik, is het vertrouwen van slachtoffers in de kerk ernstig geschaad. De bisschoppenconferentie c.s. had moeten beseffen dat slachtoffers een drempel moeten overwinnen om een klacht in te dienen. In de besluitvorming over de sluitingsdatum is onder meer dit besef onvoldoende tot uiting gekomen.

Het meldpunt heeft 2 jaar en 8 maanden verjaarde zaken en zaken tegen overleden personen in behandeling genomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een duur van 3,5 jaar een redelijke termijn. Hierbij is ook gekeken naar termijnen die in omringende landen gelden voor vergelijkbare klachtenregelingen. Dit betekent dat het meldpunt tot 1 mei 2015 klachten over seksueel misbruik in behandeling moet nemen.

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Bekijk hier het gehele document

 

ECLI:NL:HR:2014:2668, Hoge Raad, 13/02961

Datum uitspraak: 16-09-2014
Datum publicatie: 16-09-2014
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Cassatie

Inhoudsindicatie: 1. Tiende middel van verdachte. De door de bp-en gevorderde kosten voor rechtsbijstand. V.zv. het middel erover klaagt dat de toegewezen kosten deels zijn gemaakt t.b.v. bp-en die in hun vorderingen geheel of gedeeltelijk n-o zijn verklaard, miskent het middel dat die enkele omstandigheid niet eraan in de weg staat dat de uitspraak een beslissing dient te bevatten over de verwijzing in de door de bp-en gemaakte kosten en voorts dat die enkele omstandigheid niet meebrengt dat het Hof gehouden was de t.b.v. die bp-en gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk af te wijzen. Voor het overige faalt het middel omdat het miskent dat de wettelijke voorschriften m.b.t. de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uitstrekken tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag der kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AB1819, rov. 5.9.4).

2. Tweede en vijfde middel van de bp-en. N-o verklaring van de vorderingen van de kinderen, daarin vertegenwoordigd door hun ouders, t.z.v. geleden materiële schade. De bestreden uitspraak bevat niet een motivering van deze n-o verklaring. ’s Hofs oordeel is in zoverre zonder motivering niet begrijpelijk. Dit leidt evenwel niet tot cassatie nu thans reeds vaststaat dat na verwijzing of terugwijzing van de zaak de vorderingen van de bp-en op de voet van art. 361.3 Sv in verbinding met art. 415 Sv in zoverre n-o zullen worden verklaard op de grond dat vorderingen als de onderhavige een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Immers, het Hof dat na verwijzing of terugwijzing op de vorderingen van de bp-en dient te beslissen, zou dan per bp per onderdeel van de gevorderde vergoeding t.z.v. geleden materiële schade moeten vaststellen of het betreft schade van het kind die als rechtstreekse schade i.d.z.v. art. 51f.1 Sv is aan te merken, dan wel verplaatste schade in de zin van art. 6:107 BW of schade van de ouder(s) zelf. In redelijkheid kan niet anders worden geoordeeld dan dat dit – in deze zaak – een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Op diezelfde grond dat die vaststelling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, kan ook het tweede middel – dat is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de bp-en n-o zijn in hun vorderingen voor zover zij aanspraak maken op kosten die moeten worden aangemerkt als verplaatste schade i.d.z.v. art. 6:107 BW – niet tot cassatie leiden.

Middelen voor het overige: art. 81.1 RO. Ambtshalve: vermindering van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Vindplaats(en):
Rechtspraak.nl
NJB 2014/1787
SR-Updates.nl 2014-0332

Bekijk hier het gehele document

 

ECLI:NL:RBNHO:2014:8699, Rechtbank Noord-Holland, C14/14/135155 HA ZA 12-57

Datum uitspraak: 27 augustus 2014
Datum publicatie: 11 september 2014
Rechtsgebied: Civiel
Soort procedure: Eerste aanleg, meervoudig

Inhoudsindicatie: De rechtbank Noord-Holland heeft op 27 augustus 2014 vonnis gewezen in een zaak waarbij een bokser op straat werd neergeschoten.

De rechtbank merkt in haar vonnis op dat zij niet doof is voor signalen uit de rechtswetenschap dat de vergoeding voor immateriële schadevergoeding in Nederland ten opzichte van het buitenland de afgelopen decennia uit de pas is gaan lopen en dat, ware geldontwaarding volledig verdisconteerd, zelfs sprake is van een achteruitgang in de hoogte ervan. De rechtbank meent dat in onderhavig geval een immateriële schadevergoeding van € 25.000,- billijk is.

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl.

Bekijk hier het gehele document.

Vgl. ook: ECLI:NL:GHARL:2014:181ECLI:NL:RBOBR:2014:4093

 

ECLI:NL:HR:2013:BZ2653, Hoge Raad , 11/05421

Datum uitspraak: 12-03-2013
Datum publicatie: 12-03-2013
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Cassatie

Inhoudsindicatie:Tongzoen; “verkrachting” i.d.z.v. art. 242 Sr? HR komt terug van zijn eerder aan art. 242 Sr gegeven interpretatie. De eisen van rechtszekerheid staan er niet aan in de weg dat, hoewel een tongzoen op zichzelf wel het binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking oplevert, deze in redelijkheid niet op één lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een wat de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit daarmee vergelijkbare gedraging, zodat een afgedwongen tongzoen voortaan niet meer als “verkrachting” i.d.z.v. art. 242 Sr kan worden gekwalificeerd.

De HR merkt met het oog op de zaken die zijn afgedaan met inachtneming van HR NJ 1998/781 (“tongzoen-arrest”) op dat zijn nieuwe uitleg van art. 242 Sr niet kan worden aangemerkt als een voor herziening vereist (nieuw) “gegeven” a.b.i. art. 457.1 onder c Sv, aangezien dat vereiste het oog heeft op een gegeven van feitelijke aard en niet op een gewijzigde rechtsopvatting.

Vindplaats(en):
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/423
NJB 2013/733
NS 2013, 173
NBSTRAF 2013/173 met annotatie door mr. dr. J.S. Nan
NJ 2013/437 met annotatie door N. Keijzer
Ars Aequi AA20130839 met annotatie door N. Rozemond

bekijk hier het gehele document