Infographic

Eind 2018 heeft stichting LANGZS, met financiële ondersteuning van het Fonds Slachtofferhulp, een Infographic ontwikkeld waarop inzichtelijk gemaakt wordt hoe het traject van aangifte tot vonnis eruit ziet. U kunt deze infographic inzien bij downloads&links.

Klik hier om de infographic meteen te bekijken in PDF-formaat.

Slachtofferknelpunten in beeld gebracht

Het Landelijk Advocatennetwerk Gewelds- en Zedenslachtoffers LANGZS spreekt waardering uit voor het onderzoeksrapport van het WODC over de rol van de slachtofferadvocatuur. Uit het rapport blijkt dat er nog steeds op talloze gebieden serieuze achterstanden bestaan bij het implementeren van de rechten van slachtoffers van misdrijven. Dit is schrijnend, omdat het vaak gaat om rechten die al geruime tijd in de wet zijn opgenomen, en omdat het gaat om achterstanden die LANGZS al sinds jaar en dag signaleert in het jaarlijkse Zwartboek. Het rapport brengt aan het licht dat het Openbaar Ministerie er helaas niet in slaagt om adequaat in te spelen op de behoeften van slachtoffers. Het OM blijkt soms zelfs actief tegengas te geven, ondanks eerdere plechtige beloften om het slachtoffer meer te faciliteren. Dankzij de toenemende inzet van gespecialiseerde slachtofferadvocaten komt er tenminste nog iets terecht van de participatie van slachtoffers.

LANGZS roept het Openbaar Ministerie op om snel serieuze verbeteringen door te voeren: zowel in het beleid, als in de organisatie. LANGZS roept de politiek op om de bestaande rechten van slachtoffers veel beter te waarborgen. Niet alleen verdachten, maar ook slachtoffers behoren hun rechten te kunnen afdwingen. Daar schort het momenteel aan, en dat is een bedreiging voor de rechtsstaat.

LANGZS is en blijft alert op misstanden, en roept advocaten op om deze misstanden te blijven melden in het kader van het Zwartboek.

Hierbij de link voor het WODC rapport: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/01/09/tk-onderzoek-naar-de-rol-van-de-slachtofferadvocatuur

Klik hier voor het persbericht in PDF-formaat

LANGZS vraagt Minister van Rechtsbescherming om beter handelen wanneer een geweldspleger onder toezicht staat

Op 18 december 2018 is in Rotterdam een 16 jarige scholiere op klaarlichte dag op het terrein van haar school doorgeschoten door een ex-vriend die haar al langere tijd stalkte.
LANGZS doet n.a.v. dit afschuwelijke misdrijf een dringende oproep aan de minister van rechtsbescherming om heldere regels te maken dat er in al dit soort zaken standaard onderzoek naar het handelen van politie en justitie plaats dient te vinden.

In 2015 werd verpleegster van der Giesen op een parkeerterrein doodgeschoten door haar ex-vriend. Hierna werd er een onderzoekscommissie geformeerd die aanbevelingen opstelde. Nadien zijn er echter meerdere personen in ons land slachtoffer geworden van ernstige geweldsmisdrijven gepleegd door verdachten die bij het plegen van het misdrijf (bijzondere) voorwaarden overtreden hebben of onder toezicht van justitie stonden.

LANGZS juicht uiteraard toe dat er op zo’n moment onderzoek wordt gedaan naar de desbetreffende verdachte, maar meent dat de Inspectie van Justitie en Veiligheid standaard zou moeten of de overheid in dit soort gevallen juist heeft gehandeld bij het opleggen, handhaven en vooral het naleven cq. controleren van de voorwaarden of het toezicht op de verdachte. Dat laatste gebeurt nu helaas niet standaard; met als gevolg dat er onvoldoende wordt geleerd.

In de politiefolder over stalking is te lezen dat de slachtoffers de politie informeren en geen verdere actie hoeven te verwachten. Daarnaast is te lezen dat er niet altijd voldoende bewijs aanwezig is en dat de politie soms nog geen mogelijkheden heeft om de stalker aan te houden en strafrechtelijk in te grijpen. Het slachtoffer kan dan met het gevoel achterblijven dat de politie niet direct kan helpen en de stalker alleen maar wegstuurt.

Het door LANGZS voorgestane standaard-onderzoek naar het handelen van politie en justitie zou tot doel moeten hebben omweg de begeleiding, controle en handhaving aan te scherpen en te verbeteren zodat dit soort afschuwelijke misdrijven in de toekomst hopelijk kunnen worden voorkomen. LANGZS roept de minister dan ook dringend op om op korte termijn met
een duidelijk voorstel op dat punt te komen, temeer dat slachtoffers meestal kwetsbare personen zijn.

LANGZS vraagt Minister van Justitie kinderen die slachtoffer zijn van een zedendelict beter te beschermen.

Vandaag komt de eerste Dadermonitor Seksueel Geweld tegen Kinderen uit van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld Herman Bolhaar. Hierin staat dat over de periode 2013 tot en met 2017 het aantal meldingen van seksueel geweld tegen kinderen jaarlijks stijgt en dat driekwart van de zaken die bij het Openbaar Ministerie terecht komen worden geseponeerd door gebrek aan bewijs. Dit komt volgens de heer Bolhaar doordat de aanwijzing om bij zedenzaken digitaal onderzoek te doen ontbreekt in de werkinstructies van de politie.

LANGZS maakt zicht sterk voor de rechten van slachtoffers van ernstige zedenmisdrijven. LANGZS constateert dat ook de voorganger van de heer Bolhaar, mevrouw Dettmeijer in haar rapportage van 2011 al aandacht heeft gevraagd voor het gebrek aan digitaal onderzoek. Ook zij deed de aanbeveling om bij een verdenking van seksueel misbruik van kinderen altijd de digitale gegevensdragers van verdachten te onderzoeken.

Helaas komt het nog steeds voor dat verdachten van een zedenmisdrijf waarbij kinderen het slachtoffer zijn per brief worden ontboden op het bureau en hun wordt gevraagd om hun computer mee te nemen. Dit is wat LANGZS betreft bijna lachwekkend. LANGZS roept thans de minister van Justitie en Veiligheid, de heer Grapperhaus, op om het Openbaar Ministerie middels een aanwijzing de opdracht te geven om ervoor te zorgen dat in opsporingsonderzoeken waarbij een verdenking is van misbruik van kleine kinderen altijd alle gegevensdragers van verdachten worden onderzocht.

LANGZS roept het parlement op om te controleren welke acties de minister onderneemt ten einde de positie van kinderen die slachtoffer zijn van seksueel geweld op korte termijn snel te verstevigen. Het is de verwachting van LANGZS dat indien dit soort digitale onderzoeken wel worden gedaan dat het opsporingspercentage omhoog gaat en het aantal zaken dat geseponeerd zal worden omlaag gaat.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de voorzitter van stichting LANGZS, mr. Korver.

Klik hier voor het nieuwsbericht/persbericht in PDF-formaat.

De privacy van nabestaanden en slachtoffers

-PERSBERICHT-

In de Telegraaf van 6 november 2018 staat een artikel dat Martin C. (veroordeeld moordenaar en verkrachter) toestemming heeft gekregen voor verlof. Het Openbaar Ministerie heeft slechts vijf dagen voordat Martin C. verlof kreeg de nabestaanden en slachtoffers hierover ingelicht. In die vijf dagen zat ook nog een weekend. Daarnaast zou aan Martin C. medegedeeld zijn waar nabestaanden en slachtoffers wonen, althans hun woonplaats, zonder dat eerst aan die  nabestaanden en slachtoffers zelf is gevraagd of deze gegevens gedeeld mochten worden met de dader.

Stichting LANGZS maakt zich sterk voor de rechten van het slachtoffer. Het Openbaar Ministerie dient maatwerk te leveren tegenover slachtoffers. Het is dan ook een doorn in het oog dat nabestaanden en slachtoffers op zo een korte termijn worden ingelicht over het verlof van de dader. Zij kunnen juridisch dan niks meer ondernemen. Het feit dat bepaalde gegevens van slachtoffers bekend zijn bij de dader, zonder dat hiervoor toestemming is gegeven door het slachtoffer, is onbegrijpelijk en in de ogen van LANGZS mogelijk onrechtmatig. LANGZS dringt aan op betere informatievoorziening aan slachtoffers en vraagt de minister maatregelen te nemen ter bescherming van de privacy van slachtoffers en nabestaanden.

Klik hier voor het nieuwsbericht/persbericht in PDF-formaat.

Uitnodiging stil protest tegen kindermisbruik binnen religieuze gemeenschappen.

Recent ontvingen wij van de stichting Reclaimed Voices een uitnodiging voor het bijwonen van een stil protest. De stichting pleit voor een beleidsverandering bij Jehovah’s Getuigen en bewustwording van de ernst van kindermisbruik binnen deze groep bij de overheid. Tijdens het protest, dat zal plaatsvinden op 6 oktober 2018, zal worden stilgestaan bij de gevolgen van seksueel kindermisbruik binnen (gesloten) religieuze gemeenschappen.

De aanleiding voor dit protest is de houding van het bestuur van de Jehovah’s Getuigen, dat weigert met stichting Reclaimed Voices in gesprek te gaan en niet wil meewerken aan een onderzoek. Stichting Reclaimed Voices vindt het tijd om in actie te komen in de vorm van een stil protest. Zij zijn van mening dat het protest niet alleen relevant is voor personen die misbruik ervaren hebben binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen, maar dat het ook een gelegenheid is waar personen van verschillende achtergronden zich kunnen verenigen voor hetzelfde doel: een veilige omgeving voor kinderen; ook als deze opgroeien binnen een geloofsgemeenschap.

Vorige week beantwoordde minister Dekker in een brief aan de Tweede Kamer de kamervragen die vorige maand werden gesteld betreffende dit onderwerp. Het Openbaar Ministerie gaat onderzoek doen naar negen gevallen van seksueel misbruik binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen. Het onderzoek richt zich op de specifieke aangiften en dus niet op de gehele geloofsgemeenschap. Het gaat om vijf aangiften die via Reclaimed Voices zijn binnengekomen. U vindt de brief van minister Dekker hier.

Meer informatie over het stille protest en hoe u zich kunt aanmelden vindt u eveneens hier.

Nieuwe aanwijzing slachtofferrechten

Per 1 juli 2018 is de nieuwe Aanwijzing Slachtofferrechten in werking getreden, en is de (oude) Aanwijzing Slachtofferzorg (2017A001) komen te vervallen. De aanwijzing geeft een algemene beleidsinvulling aan de taken en de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie. Ten aanzien van de oude aanwijzing slachtofferzorg is er een alinea toegevoegd bij het onderdeel “Inzage en kennisneming stukken”, met betrekking tot kennisneming van het dossier door nabestaanden als er geen onderzoek is gedaan of onderzoek niet heeft geleid tot vervolging. De Officier van Justitie is dan in beginsel gehouden aan zijn geheimhoudingsplicht ex art. 13 RO, maar er is besloten dat een verzoek onder omstandigheden toch kan worden ingewilligd. De aanpassing werd in maart 2018 al aangekondigd in een brief aan de Tweede Kamer van minister Dekker en minister Grapperhaus (2157470).[1]

Op 1 april 2017 is de wet waarmee de Europese Richtlijn Minimumnormen Slachtoffers is omgezet in nationale regelgeving in werking getreden.[2] Samen met het Meerjarenplan Slachtofferbeleid dat op 22 februari jl. werd gepresenteerd door minister Dekker[3]  is hiermee een start gemaakt met de versterking van de rechten voor slachtoffers, en een verbetering van de bejegening van slachtoffers. In de praktijk blijkt echter dat het Openbaar Ministerie lang niet altijd werkt conform de aanwijzing slachtofferrechten.

In de aanwijzing wordt gezegd dat het Openbaar Ministerie er zorg voor dient te dragen dat het slachtoffer vanaf het eerste contact met een bevoegde instantie goed wordt geïnformeerd. Helaas blijkt echter dat slachtoffers en hun advocaat lang niet altijd op de hoogte zijn van het verloop van hun zaak. Ook wordt in de aanwijzing genoemd dat uit art. 51b Sv. volgt dat slachtoffers in principe recht hebben op kennisneming van de processtukken. In uitzonderlijke situaties kan de Officier van Justitie de kennisneming weigeren; voor toepassing hiervan dient de Officier van Justitie over een schriftelijke machtiging van de Rechter-Commissaris te beschikken. Toch blijft het voor slachtofferadvocaten een moeizaam proces (tijdig) te beschikken over de processtukken. Waar de advocaat van de verdachte vrijwel altijd toegang heeft tot het procesdossier komt het te vaak voor dat slachtofferadvocaten te kort voor de zitting (of helemaal geen) inzage krijgen in het procesdossier.

Een interessante paragraaf uit de nieuwe aanwijzing is die met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, waarin wordt gezegd dat persoonlijke gegevens van het slachtoffer alleen kenbaar mogen worden gemaakt aan de verdachte en derden (zoals de pers) indien dit strafvorderlijk “strikt noodzakelijk” is (§6.4). Daarnaast is er een paragraaf opgenomen over de voeging van de benadeelde partij. Wanneer de benadeelde partij zich door een omissie van het Openbaar Ministerie niet heeft kunnen voegen in het strafproces kan hij of zij een verzoek doen voor een tegemoetkoming (§7.3). In de aanwijzing wordt niet gespecificeerd wat de aard van de tegemoetkoming is.

U vindt de nieuwe aanwijzing slachtofferrechten hier.

[1] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/03/13/tk-kennisneming-stukken-door-nabestaanden
[2] https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/wgk003424
[3] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/02/22/tk-meerjarenagenda-slachtofferbeleid-2018—2021

Slachtoffers zijn ook rechtszoekenden!

Gisteren publiceerde het Algemeen Dagblad de reactie van stichting LANGZS op het artikel ‘OM danst naar pijpen slachtoffer‘. Onderstaand treft u de volledige reactie op het artikel aan.

Onlangs publiceerde deze krant een artikel met de titel: “OM danst naar de pijpen slachtoffer”, waarin onder andere rechter Erik Koster zijn mening geeft over de groeiende rol van het slachtoffer in het strafproces.

Volgens de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (hierna: NVSA) is het strafproces bedoeld om de schuld van de verdachte vast te stellen, “daar kun je de emoties van slachtoffers niet bij gebruiken”. Daarnaast zou de groeiende rol van het slachtoffer de neutraliteit van het strafproces aantasten en het principe van de onschuldpresumptie onder druk zetten.

Slachtofferadvocaten, verenigd in LANGZS, zijn van mening dat het strafrecht niet langer enkel een zaak is tussen de overheid en verdachte maar een zaak die is ontstaan omdat er een slachtoffer is wiens belangen eveneens gediend moeten worden. Dat de verdachte centraal zou moeten staan in het strafproces is niet langer van deze tijd. Het gaat niet enkel om het vaststellen van de schuld van de verdachte, maar ook om zaken als herstel van schade, vergelding en bescherming worden tegenwoordig behandeld in het strafproces.

Het uitgebreide spreekrecht zou regelmatig tot situaties waarin het slachtoffer fulmineert tegen de verdachte leiden. Dit wordt voorkomen wanneer het slachtoffer wordt bijgestaan door een gespecialiseerde slachtofferadvocaat. Wij maken het dan ook zelden mee. Het slachtoffer wordt dan voorafgaand geïnformeerd en geadviseerd over onderwerpen als de haalbaarheid van de gewenste strafmaat en het principe van de onschuldpresumptie.

Het NVSA zegt terecht dat iedere verdachte onschuldig is totdat de rechter oordeelt dat het tegendeel bewezen is. Dat het slachtoffer in de rechtszaal vertelt wat het misdrijf met hem of haar heeft gedaan en zijn of haar mening geeft over de strafmaat en de bewezenverklaring doet hier volgens LANGZS niets aan af. Indien het slachtoffer zich uitlaat over straf en bewijs is dit net zo min in strijd met de onschuldpresumptie als wanneer de Officier van Justitie dit doet. Daarnaast is LANGZS van mening dat de NVSA de kunde van de rechter onderschat. Waarom zou deze wel door de emotie van de verdachte heen kunnen prikken maar niet door de emotie van het slachtoffer? De vrijlating van een van de hoofdverdachten in de Amsterdamse vergismoord is het schoolvoorbeeld dat de rechter dit wel kan.

Volgens rechter Koster gebeurt het steeds vaker “dat het OM een zaak voor de strafrechter brengt louter omwille van het slachtoffer”. Dat een rechter zich op deze wijze uitlaat schaadt volgens LANGZS het vertrouwen in de rechtsstaat. Uit eigen ervaring kan ik u mede namens mijn collega’s zeggen dat dit geenszins het geval is. Met regelmaat laat het OM weten andere keuzes te maken, als gevolg van haar rol als magistraat. Dat is hoe het hoort. Nu nog die enkele rechter zover krijgen dat die slachtoffers niet als last maar justitiabele ziet.

Klik hier voor de ingekorte versie die gisteren in het Algemeen Dagblad verscheen.

Wetsvoorstel affectieschade

Het wetsvoorstel affectieschade is op 10 april unaniem aangenomen door de Eerste Kamer, zonder dat hier voorafgaand een plenaire behandeling heeft plaatsgevonden. Wel is er door een aantal partijen een stemverklaring afgelegd. De VVD geeft aan haar principiële bezwaren neer te leggen nu er vaste vergoedingen zijn geïntroduceerd en de kring van aanspraakgerechtigden is beperkt. Een eerder, vergelijkbaar wetsvoorstel sneuvelde mede door een tegenstem van de VVD. De CDA en SGP merken op de bezwaren te laten varen nu er een groot maatschappelijk draagvlak is voor het wetsvoorstel, en het past in de internationale ontwikkeling. Wel hechten beide fracties aan een serieuze evaluatie van de wet over vijf jaar. Tot slot laat de SP weten blij te zijn dat er met de aanname van het wetsvoorstel nu eindelijk, veel te laat, recht wordt gedaan aan naasten voor het leed dat zij ondervinden. De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

In het wetsvoorstel is geen zelfstandige bepaling van overgangsrecht opgenomen. Krachtens artikel 68a van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, gelezen in verband met artikel 69d, zal het recht op vergoeding van affectieschade niet door het in werking treden van het wetsvoorstel ontstaan indien reeds voordien aan alle feiten die de wet daarvoor vereist waren voldaan. Dit betekent dat het wetsvoorstel slechts gevolgen heeft met betrekking tot schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden na inwerkingtreding van het voorstel.

Naar alle waarschijnlijkheid zal de wet op 1 januari 2019 in werking treden, naar mening van stichting LANGZS is dit alsnog te laat. Zeker nu de Europese Richtlijn minimumnormen voor slachtoffers op 16 november 2015 al rechtstreekse werking heeft gekregen, en de Staat bij de implementatie van deze Richtlijn het recht om aan nabestaanden vergoeding van immateriële schade toe te kennen heeft miskend. Stichting LANGZS blijft daarom van mening dat het van belang is altijd schadevergoeding affectieschade te vorderen nu dit mogelijk de politieke druk zou kunnen opvoeren om de inwerkingtreding te vervroegen.

Klik hier voor het nieuwsbericht in PDF-formaat.

Een grotere rol voor het slachtoffer in de rechtszaal zorgt voor evenwicht

Afgelopen vrijdag publiceerde Trouw een artikel met de titel: “De rol van slachtoffers in de rechtszaal groeit, tot ongenoegen van advocaten”. Dit naar aanleiding van het meerjarenplan slachtofferbeleid dat de dag ervoor door minister Dekker werd gepresenteerd, op de dag van het slachtoffer.

Die kop impliceert ten onrechte dat advocaten in het algemeen tegen de versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces zouden zijn. Sinds 10 jaar is er een Landelijk Advocaten Netwerk Gewelds- en Zeden Slachtoffers (hierna: LANGZS), waarbij inmiddels ruim honderd slachtofferadvocaten zijn aangesloten. Sinds een paar jaar is er tevens de post-doctorale specialisatie `Slachtofferadvocatuur voor Ernstige Gewelds- en Zedenzaken`. Slachtofferadvocaten van EGZ-zaken pleiten juist voor een grotere rol van het slachtoffer in de rechtszaal.

Over het voorstel van de minister, om verdachten in ernstige gewelds- en zedenzaken verplicht in de rechtszaal te laten verschijnen wanneer het slachtoffer in de zaak van het spreekrecht gebruik maakt,  zijn ook slachtofferadvocaten niet enkel positief. Er bestaat immers niet zoiets als “het slachtoffer”; al helemaal niet in zaken waarin het gaat om zeer zware delicten. De keuze zou bij het slachtoffer moeten liggen, waarna de verdachte eventueel met een bevel tot medebrenging voor de rechter gebracht kan worden.

Advocaten zouden de groeiende rol van het slachtoffer in het strafproces volgens Trouw maar beangstigend vinden: “de aandacht voor de slachtoffers lijkt die voor de verdachten soms te overvleugelen” zegt iemand van de Orde van Advocaten in het artikel van Trouw. Een standpunt dat sinds de invoering van het uitgebreide spreekrecht op 1 juli 2016 steeds vaker wordt verkondigd, met name door strafrechtadvocaten die veel, of overwegend, verdachten bijstaan.

Dat betekent echter niet, zoals de kop suggereert, dat alle advocaten hier een probleem mee zouden hebben, integendeel. Een groeiende groep is van mening dat de groter wordende rol van het slachtoffer juist evenwicht creëert tussen de rol van het slachtoffer en de verdachte. Het idee dat alleen de verdachte centraal zou moeten staan in het strafproces is begrijpelijk in het tijdperk van Napoleon maar niet langer acceptabel in het huidige tijdgewricht.

Tegenargumenten die vaak genoemd worden, zo ook in het artikel van Trouw, zijn het gevaar voor secundaire victimisatie en het gevaar dat er met het uitgebreide spreekrecht teveel emotie het strafproces binnengehaald zou worden. Beide ‘gevaren’ kunnen eenvoudig voorkomen worden indien slachtoffers de juiste begeleiding krijgen.

Wanneer slachtoffers, alvorens het uitoefenen van het spreekrecht goed worden voorgelicht en geadviseerd, en tijdens de zitting goed worden begeleid zal dit ervoor zorgen dat het slachtoffer een weloverwogen beslissing neemt en wordt daarmee ongewenste secundaire victimisatie voorkomen. Ik wijs erop dat slachtoffers er natuurlijk ook voor kunnen kiezen helemaal geen gebruik te maken van het spreekrecht, of om dit te laten uitoefenen door een ander. In ernstige zaken is er nog steeds sprake van slechts een kleine groep (minder dan 1000 slachtoffers per jaar), die gebruik maakt van het spreekrecht.

Naar de mening van slachtofferadvocaten, die toch echt de belangen van slachtoffers behartigen, is door Trouw niet gevraagd. Het belang van de slachtofferadvocaat wordt wel vaker onderschat. Met de invoering van het uitgebreide spreekrecht is de rol van het slachtoffer dat van het spreekrecht gebruik wil maken en van diens advocaat alleen maar groter geworden nu het slachtoffer zich niet enkel meer mag uitlaten over de gevolgen van het misdrijf maar ook over de bewezenverklaring en de door hem of haar gewenste strafmaat.

Dat slachtoffers nog niet echt meedoen blijkt bijvoorbeeld ook uit de positie van het slachtoffer in de rechtszaal. Waar de verdachte vooraan in de rechtszaal, in het bijzijn van zijn of haar advocaat, zijn standpunt kan verkondigen, heeft het slachtoffer deze vaste positie niet en komt het nog regelmatig voor dat het slachtoffer zijn of haar spreekrecht moet uitoefenen vanaf de publieke tribune van de zittingszaal, soms te midden van bekenden van de verdachten.

Voor slachtoffers is een bepaling in de wet opgenomen dat zij correct dienen te worden bejegend, overigens zonder enige sanctie als zulks niet gebeurt. Dat is een vorm van symboolpolitiek die veelzeggend is.

Het strafrecht is niet langer een zaak tussen de overheid en de verdachte maar een zaak die ontstaan is omdat er een slachtoffer is wiens belangen door dat proces eveneens gediend moeten worden. Daarbij valt te denken aan herstel van schade, vergelding en bescherming. En uiteraard aan rechtvaardigheid die er voor allen die deelnemen aan een proces in een beschaafde rechtsstaat zou moeten komen. Die rechtvaardigheid begint met gelijkwaardigheid in rechten. Zo lang deze er niet is mag en moet de positie van slachtoffers echt veel beter worden.

Klik hier voor de reactie in PDF-formaat.